Wat leren we in groep 6 ?
Rekenen:
methode wereld in getallen.
 
Getalbegrip 
- De telrij tot en met 10 000 (tellen met sprongen)
- Positioneren van getallen op de getallenlijn tot en met 10 000
- De opbouw van de getallen tot en met 10 000 (geld; duizendtallen,
  honderdtallen, tientallen en eenheden)
- Positiewaarde (Hoeveel is de  2 waard in 7263?)
- Uitspraak en schrijfwijze van  de getallen
- Afronden op duizendtallen en honderdtallen
- Telrij tot en met 100 000
- De opbouw van de getallen (positieschema)
- Tellen met sprongen van  1, 10, 100, 1000 en 10 000
- Getallen op volgorde plaatsen
 
Optellen/aftrekken
- Optellen en aftrekken tot en met 100 (herhaling, handig rekenen en
   schatten)
- Optellen en aftrekken tot en met 1000 (herhaling, handig rekenen
   en schatten)
- Samenstellen van getallen tot en met 10 000 (40 + 8000 + 3 = )
- Optellen en aftrekken tot en met 10 000 (bijvoorbeeld  5000 – 5;
   2750 + ... = 3000)
- Kolomsgewijs optellen en aftrekken tot en met 1000 (introductie en
   oefening)
- Introductie van het traditionele cijferend optellen tot en met 1000
- Toepassingen
- Optellen en afrekken tot en met 10 000 en tot en met 100 000
  (bijvoorbeeld 4995 + ... =  5800 en 40 000 – 25 =)
- Cijferend optellen (herhaling en oefening)
- Cijferend aftrekken (introductie en oefening)
- Cijferend optellen en aftrekken van geldbedragen
 
Vermenigvuldigen
- Blijvende aandacht voor de automatisering van de tafels tot en met
  10
- Vermenigvuldigingen van de types: 7 × 49 =; 20 × 16 =;  4 × 180 =;
   10 × 45 =; 100 × 45 =; 30 × 40 =; 3 × 400 =; 300 × 4 =
- Schatten (4 × 198 ≈)
- Toepassingen
- Vermenigvuldigingen als 5 × 900 = en 50 × 90 =;  9 × 150 =; 10 × €
   18 = en  14 × € 18 =
- Schatten  (4 × € 19,85 ≈ en 38 × 41 ≈)
 
Delen
- Delingen van de types 320 : 4 =; 3200 : 4 =; 240 : 12 =; 360 : 10 =
- Herhaling delen (met en zonder rest)
- Toepassingen
- Delingen als 150 : 6 =; 1200 : 8 =; 4000 : 8 =
- Delen met rest (bijvoorbeeld  120 : 14)
- Kolomsgewijs vermenigvuldigen (introductie en oefening  7 × 65 =
  en 7 × 265 =)
 
Kommagetallen
- Kommagetallen bij lengte  (3,75 m), inhoud (2,5 l) en gewicht (30,5
   kg)
- Kommagetallen bij geld, lengte, inhoud en gewicht
- Positieschema bij kommagetallen
- Kommagetallen op volgorde zetten
 
Breuken
- Introductie, begripsvorming
- Breuknotatie
- Prijs/hoeveelheid berekenen  ( ¾  deel van € 12,–; ¾ deel van 120
   liter)
- Afstanden berekenen  ( 2/3 deel van 12 km)
 
Geld
- Optellen en aanvullen van geldbedragen
- Teruggeven
- Schattend optellen van geldbedragen
- Toepassingen (onder andere het berekenen van korting)
- Vermenigvuldigen van geldbedragen  (4× € 2,35 = en 10× € 3,50 =) - Optellen van geldbedragen  (€ 14,10 + € 6,40 + € 12,45 +  € 1,75 =)
 
Tijd
- Herhaling klokkijken analoog en digitaal
- Kalender: jaarkalender, kalender van een schooljaar
- Tijdsduur (dienstregeling)
- Tijdsduur (Hoeveel tijd zit er tussen 13.35 uur en 14.10 uur?)
- Verschillende instrumenten om tijd te meten vergelijken
 
Meten
- Alle maten: de juiste maat kiezen bij een meetsituatie
- Lengte: mm, cm, dm, m en km
- Inhoud: ml, cl, dl en l
- Oppervlakte: cm2 en m2
- Omtrek
- Gewicht: kg en g
Lengte
- Herhaling alle bekende lengtematen, inclusief herleidingen
- Introductie hectometer (hm)
- Kommagetallen bij lengte  (45 hectometer is 4,5 kilometer)
- Afstanden op een kaart (verschillende schalen)
Oppervlakte
- Oppervlaktes berekenen van rechthoekige figuren
- Introductie formule ‘lengte × breedte’
- Oppervlakte berekenen van driehoeken en vierhoeken
Inhoud
- Herhaling alle bekende inhoudsmaten, inclusief herleidingen
- Kommagetallen bij inhoud  (0,2 l = 2 dl)
- Introductie de kubieke centimeter (cm3)
Gewicht
- Verschillende instrumenten om mee te wegen vergelijken
- Kommagetallen bij gewicht (0,472 kg is ongeveer 0,5 kg)
 
Meetkunde
- Bouwsels met plattegrond en hoogtegetallen
- Ruimtelijke oriëntatie (Wat ziet de fotograaf?)
- Introductie windroos en windrichtingen
- Oriëntatie in de ruimte (vogelvluchtperspectief)
- Windroos en windrichtingen
- Ruimtelijke figuren, zoals de kegel, piramide, bol, cilinder, kubus en
  balk
 
Diversen
- Plattegrond en schaal
- Introductie veldcoördinaten Diagrammen
- Staafdiagram, cirkeldiagram
Verhoudingen
- Rekenen met een verhoudingstabel
- Recepten omrekenen
- Lengtes schatten met behulp van referentiematen
- Combinatoriek (kentekenplaten)
Diagrammen
- Lijngrafiek, staafgrafiek, cirkeldiagram, pictogram
Verhoudingen
- Vergelijken van aanbiedingen
– 1 op de 3, 4 liter per 100 km
- Lengtes schatten met behulp van referentiematen
 
 
Taal:
methode Staal
 
De volgende doelen komen aan bod:
 
  • Spreken en luisteren
  • Woordenschat
  • Schrijven
  • Taal verkennen
Spreken en luisteren:
Bij spreken en luisteren wordt er gewerkt aan de vergroting van de spreek- en luistervaardigheid van de kinderen ( spreken en luisteren om te communiceren, te leren en te amuseren ).

Woordenschat:
Bij het aanleren van woorden wordt uitgegaan van de volgende methodiek:
 - Voorbewerken ( aandacht trekken en activeren van de kinderen )
 - Semantiseren ( uitleggen, uitbeelden en uitbreiden )
 - Consolideren ( veel, gevarieerd en speels herhalen van woord en betekenis )
 - Controleren ( controleren van de woordbetekenissen )

Schrijven
Er wordt gebruik gemaakt van het vijf-fasenmodel:
- Orientatie
- Schrijfopdracht
- Schrijven en helpen tijdens het schrijven
- Bespreken en herschrijven van de tekst
- Verzorgen en publiceren 

Taal verkennen
Bij het taal verkennen wordt ingegaan op:
- Taalgebruik ( passend taalgebruik, figuurlijk taalgebruik, herkomst van woorden )
- Taalvariatie ( kennis van streektalen, internettaal, synoniemen )
- Spelen met taal ( rebussen, taalgrappen, vergelijkingen e.d. )
- Taalschat ( o.a. spreekwoorden en gezegden )
- Non-verbale communicatie ( mimiek, gebarentaal, lichaamstaal e.d. )
 
 
Spelling
methode Staal

Het spellingprogramma van Staal onderscheidt 3 leerstofdomeinen:

- Spelling ( onveranderlijke woorden ). Hierbij wordt gewerkt vanuit verschillende categorieën.

- Werkwoordspelling
In groep 6 ligt het accent op het toepassen van de werkwoordspelling in de tegenwoordige tijd. De kinderen maken kennis met het werkwoordschema. Dit schema wordt alleen gehanteerd bij het schrijven van de persoonsvorm, omdat daar de moeilijkheden zitten.

- Grammatica ( woordsoorten, zinsdelen, leestekens )

Een spellingles heeft de volgende opbouw:
opfrissen, instructie, oefendictee, nabespreking en zelfstandig verwerken.
 
 
Begrijpend lezen
methode: Nieuwsbegrip
 

Het doel van de lessen Nieuwsbegrip is het strategisch leren lezen van teksten. Het nieuws is een middel om de kinderen te interesseren om de tekst te lezen. De leerkracht speelt daarbij een belangrijke rol. De juf of meester doet in de Nieuwsbegriplessen namelijk hardopdenkend voor hoe het lezen van een tekst in je hoofd werkt. Daarbij kunnen ze gebruik maken van het digibord. Elke week oefenen de kinderen met een strategie die ze bij de tekst kunnen gebruiken. Ze leren bijvoorbeeld dat ze eerst naar de titel en de plaatjes bij de tekst moeten kijken, voor ze de tekst gaan lezen. Als je eerst voorspelt waar de tekst over gaat, begrijp je de tekst beter.
De 5 strategieën zijn:
• voorspellen
• ophelderen van onduidelijkheden
• samenvatten
• vragen stellen
• relaties/verwijswoorden

Deze strategieën voor begrijpend lezen vormen ook de basis van een stappenplan wat leerlingen gebruiken bij het lezen van de teksten. Een zesde strategie, visualiseren, komt steeds aan de orde in de opdracht waarbij leerlingen een sleutelschema van de tekst moeten invullen.

 
 
 
Wereldoriëntatie
 
Aardrijkskunde (Meander):
Thema 1: Water
Thema 2: Werk en energie
Thema 3: De aarde beweegt
Thema 4: Streken en klimaten
Thema 5: allemaal mensen
 
Geschiedenis (Brandaan):
Thema 1: Handel overzee
Thema 2: Slavernij
Thema 3: Industrie in Nederland
Thema 4: De Tweede Wereldoorlog
Thema 5: Welvaart in Nederland
 
Natuur en techniek (Naut):
Thema 1: Natuurlijke verschijnselen
Thema 2: Materiaal uit de natuur
Thema 3: Techniek om ons heen
Thema 4: Voortplanting
Thema 5: Aarde in het heelal
 
 
Engels:
 
De volgende thema’s komen aan bod:
  • Contact met andere mensen
  • Boodschappen doen
  • Het dagelijks leven
  • Reizen
  • Onderwijs en opleiding/beroepen
  • Woonomgeving, de omgeving